Slimme Stal

Frisser stalklimaat geen invloed op geboortegewicht big

Het geboortegewicht van biggen is één van de factoren die van belang is voor de bigvitaliteit en voor de overleving in het kraamhok. In een pilotonderzoek, uitgevoerd door student Bart Geijsel van Aeres Hogeschool in samenwerking met Connecting Agri & Food, is naar het effect van stalklimaat bij dragende zeugen op het geboortegewicht van biggen gekeken. Het geboortegewicht van biggen afkomstig van de zeugen die gedurende de dracht in een frisser stalklimaat verbleven was niet aantoonbaar anders dan van de biggen van de zeugen in de controlegroep.

In de zeugenhouderij is er veel aandacht voor de gezondheid van de biggen in het kraamhok. Onder andere in het Programma Vitale Varkenshouderij wordt gewerkt aan het verbeteren van de bigvitaliteit en overleving van de biggen. Uit onderzoek is gebleken dat de fitheid van de zeug meespeelt hierbij. Dit is onder andere bepaald door voeding en omgevingsklimaat. In deze pilot is naar de relatie tussen stalklimaat tijdens de dracht en het geboortegewicht van biggen gekeken.

Directe relatie temperatuur en CO2 en NH3

In twee zeugenafdelingen, met ieder 46 zeugen, is een klimaatsensor van Slimme Stal geplaatst om de concentraties van ammoniak (NH3) en koolstofdioxide (CO2), de temperatuur (T) en de relatieve luchtvochtigheid (RV) continu te monitoren. Bij de proefafdeling is de temperatuur ingesteld op 20 °C (afdeling 4 in grafieken onder) en bij de controleafdeling op 23 °C (afdeling 3).  Als in de stal de streeftemperatuur lager wordt ingesteld, betekent dit over het algemeen dat er meer geventileerd wordt. Dit leidt ook tot een lagere concentratie ammoniak en CO2 in de afdeling. Dit was in de resultaten goed zichtbaar (zie grafieken). Voor de RV was in beide afdelingen geen groot verschil te zien, terwijl de proefafdeling de RV gemiddeld genomen iets lager lag.  In vergelijking met de andere meetwaardes was dit verschil wel kleiner.

Rond het voermoment is de hoogste concentratie ammoniak en CO2 gemeten, dit was ook het moment dat de dierverzorger vaak de controle uitvoerde.

Grafiek temperatuur

Grafiek CO2

Grafiek NH3

Grafiek RV

Omstandigheden afdelingen

De minimumventilatie bij beide afdelingen was 10% en de bandbreedte 6 graden. Het voerniveau was gelijk voor alle zeugen (2,75 kg per dag vanaf 5 weken dracht). Een week voor de worp gingen de zeugen naar het kraamhok, waar de dieren uit de verschillende drachtafdelingen onder gelijke omstandigheden werden gehuisvest. In totaal hebben 84 zeugen deelgenomen aan het onderzoek. Alleen eersteworpszeugen en zeugen met een aangepast voerregime werden niet meegenomen in het onderzoek. 

Gewicht biggen vergelijkbaar

Van iedere toom van de zeugen is het totale toomgewicht bepaald van het aantal voldragen biggen. Tevens zijn per toom de drie lichtste en de drie zwaarste biggen gewogen. Het gewicht van de biggen tussen zeugen uit de controleafdeling en zeugen uit de proefafdeling was vergelijkbaar. Zoals verwacht zijn de individuele biggen uit een grote toom lichter dan uit een kleine toom. Zeugen uit warmere of koelere afdeling lieten geen verschil zien in geboortegewichten.

Stalklimaat

Kortom, er zijn dus geen aantoonbare verschillen gezien voor de productiekenmerken. Een mogelijke reden is dat de zeug bij de lager ingestelde temperatuur meer voer nodig heeft en er minder energie naar de dracht is gegaan. Hoe dan ook, er was al geen verschil in toomgrootte verwacht bij gelijkblijvende huisvesting en klimaatomstandigheden in de eerste 4 weken. De aanleg van de biggen had namelijk al voor de start van de pilot had plaatsgevonden.

Het is bekend dat een beter stalklimaat positief is voor de gezondheid en het welzijn van de dieren die hierin gehouden worden. In de proefafdeling waar de temperatuur lager was, is meer geventileerd. Ondanks de hogere kosten hierdoor, heeft dit niet aantoonbaar geleid tot zwaardere biggen bij de geboorte. Mogelijk heeft het betere stalklimaat wel invloed op de levensduur van de zeugen en de gezondheid van de dieren. In deze kortdurende pilot kon dat niet worden onderzocht.
Ook voor de gezondheid van de dierverzorgers is het gunstiger als de concentraties ammoniak en CO2 in de afdeling lager zijn. De dierverzorger komt vaak rond voertijd in de afdeling en op dat moment zijn de concentraties ammoniak en CO2 het hoogst.

Het klimaat valt bij beide afdelingen grotendeels binnen de normen van minder dan 3.000 ppm CO2, minder dan 30 ppm ammoniak en een RV tussen de 50% en 80%. Lagere waarden voor ammoniak en CO2 zijn indicatoren voor een gezonder leefklimaat. De zeugen in de proefafdeling verbleven in een gunstiger stalklimaat dan de zeugen in de controleafdeling, toch konden we niet aantonen dat dit gevolgen had voor het dierenwelzijn.
Het seizoen is ook van invloed op de resultaten. De pilot is in de winterperiode uitgevoerd, dus in de zomer zal het klimaatverschil naar verwachting kleiner zijn omdat dan bij beide afdelingen meer geventileerd wordt.

Meer informatie?

Dit onderzoek is tot stand gekomen in samenwerking met student Bart Geijsel van Aeres Hogeschool Dronten. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Monique van der Gaag, T 06 13 75 19 97, m.vandergaag@connectingagriandfood.nl.